Meditatie

WAAR ZIJT GIJ?

(Genesis 3: 9b).

Ziet, daar vluchten zij voor God, Adam en Eva. Zij willen ontkomen aan de hemelse justitie. O, wat is alles veranderd. Eerst kenden zij geen groter vreugde dan wanneer zij hun God hoorden komen in de wind des daags. Maar nu willen zij niets liever dan van God af komen. Wat is een paradijs als ge God tegen hebt? Dan is het zelfs in een volmaakt paradijs nog slecht. Zij worstelen zich in de takken en willen daaronder wel begraven worden om hun bestaan ongedaan te maken. „O, bomen valt op ons, o bladeren bedekt ons".
Maar God maakt het niet ongedaan. Zij worden door de hemelse Rechter achtervolgd met de vraag: „Waar zijt gij?" De Heere ziet niet van Zijn heilige vorderingen af. God zou onrechtvaardig zijn, als Hij had gezegd: „Nu, Adam, ga dan maar uw eigen weg".
Wij hebben God los gelaten, lezers. Doch daarom laat God ons niet los. Wij willen God wegdenken, doch daarom staat het niet zo dat de Heere niet meer aan ons denkt. Eens komt de ure, dat we voor Gods rechterstoel staan zullen. Ieder persoonlijk zal bij name genoemd worden en hem gevraagd: „Waar zijt gij?" Wat zult ge dan te zeggen hebben tegen God uw Schepper? „Waar zijt gij?" Dat is een vraag van het recht Gods. Dat recht kan de gevallen mens niet loslaten. Of weet ge het nog niet, dat Gods heilig recht ons achtervolgt? Hebt u nog nooit die stem in uw leven gehoord? Als we door die hemelse stem achtervolgd worden dan wordt het:

      'k Wou vluchten, maar 'k kon nergens heen,
      Zodat de dood voor ogen scheen
      En alle hoop mij gans ontviel,
      Daar niemand zorgde voor mijn ziel.

Ziet, daar worden ze gearresteerd door de hemelse justitie. De heilige wet laat hen niet meer met rust. Waar ze ook gaan of staan, het is overal: „Betaal wat ge schuldig zijt". Achter de vraag: „Waar zijt gij", zien ze alleen de dood liggen.
Maar o wonder, het wordt een arrestatie ten leven. Want als dit eerste mensenpaar in de handen des Heeren valt, dan wordt in de moederbelofte het leven verkondigd, hoewel zij de dood verdiend hadden. Het is de moederbelofte van de tweede Adam, de komende Christus. God maakt het adventstijd in een verloren paradijs.
Voordat zij echter deze belofte ontvangen, heeft God eerst gevraagd naar wat ze gedaan hebben. Want eerst moet het vonnis erkend. Dat kan niet anders. De eisen en straffen Gods moeten door de zondaar zelf als rechtvaardig worden ondertekend. Gods Geest werkt nog niet anders als toen, zo veel eeuwen geleden.
Doch daar wordt die vraag van Gods recht een vraag van Gods liefde. Wie door het recht wordt gevonden, aan hem leert de genade, dat het de liefde was die hem zocht.
Dat is nu alleen mogelijk in de Christus. Voor de eerste Adam de liefde, voor de tweede Adam het recht Die tweede Adam komt te staan tussen God en de zondaar. Wat een betekenis krijgen hier de woorden van Christus, als Hij zegt: „Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen henengaan". Dat sprak Hij in de hof van Gethsémané voor verlorenen in de hof van Eden. Toen het recht Gods aan Hem vroeg: „Waar zijt gij?", toen was er voor Hem geen genade bij God.
Al Gods recht voor de tweede Adam, opdat God al Zijn liefde zou kunnen geven aan de eerste Adam. Dat wordt voor een zondaar te veel om te geloven. Dat wordt hem te groot. De eeuwigheid zal nodig zijn om dat te kunnen waarderen. Maar dan leren ze zich voor de tweede maal verbergen bij de vraag: „Waar zijt gij?" Niet achter de vijgebladeren, noch achter de takken, maar achter Hem, de enige schuilplaats tegen de wind van Gods toorn.
Dat is het Evangelie van de Adventsverwachting.

Ds. F. Bakker

Bron: Het eeuwige woord - Deel III, Ds. F. Bakker, 8e druk Uitgeverij De Banier (Utrecht)