Meditatie

ZALIGE DODEN

Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven van nu aan. (Openb. 14 : 13m)

Inplaats van de doden zalig te noemen, zouden wij liever zeggen: „Zalig zijn de levenden". Immers, doet een mens niet al wat hij kan om zijn leven te behouden? Of het zou dan moeten zijn, dat het leven zo zwaar wordt, dat iemand de dood boven het leven verkiest. Maar overigens is ons het leven lief.
En dan gaat het hier nog wel om hen, die dood zijn gemarteld. Zo'n afschuwelijke dood en dan nog zalig gesproken te worden. Wat oordeelt Gods Woord toch heel anders over dood en leven dan het mensenwoord.
Toch is het waar, dat de doden, die in de Heere sterven, dan pas volkomen gelukkig zijn. O zeker, de zaligheid is hun deel reeds aan deze zijde. Zij kennen tijden, zo zalig, dat het voor het lichaam te veel wordt om de genietingen van Gods indalende liefde te dragen. Dat is in beginsel een hemelse vreugde, waarvan zij pas na de dood de volheid zullen smaken. Daarom is de dood voor hen aan de éne zijde wel de laatste vijand, doch anderzijds het enige middel om de volle heerlijkheid Gods in te gaan. Dan pas zijn ze gezaligd en zalig.
Ja, „zalig de doden", want zij zijn verlost van de zonde, van de schuld, van de strijd, van de moeite, van het tranendal, van de vreemdelingschap, van de duivel en ook van zichzelf. Zij hebben op aarde hun dood gevonden, hun zondedood, en nu kan daarom de dood alleen maar verlossen van de dood.
Zalige doden, zalig einde, want dit einde is het begin van de eeuwige glorie, waar zij aan zullen zitten met al de gezaligden aan de bruiloft des Lams. Waar de vermoeide bruid voor eeuwig thuis zal komen bij haar Bruidegom, Christus, Die het heeft gewild, dat zij ook daar zullen zijn waar Hij is.
Ach neen, zij kennen geen doodsverlangen. Ook voor hen is de dood de dood en een graf een graf. Zij kunnen er heviger van beven dan een wereldling, die nog nooit heeft beseft dat zijn dood er is omdat zijn zonde er is. Maar zij kennen wel een hemelverlangen. Dat is een Godsverlangen, een verlossingsverlangen, om bekleed te worden met reine klederen en eeuwig te eten aan de tafel van Christus' gemeenschap, om eeuwig te drinken uit de bron van Zijn liefde, om eeuwig te rusten in de armen des Vaders, om eeuwig te danken voor de verkregen verlossing.
Die wens zullen ze zeker verkrijgen. Maar dat gaat nu door de poort des doods. De laatste verootmoediging waardoor zij groot gemaakt worden. De laatste vernedering, de diepste verschrikking. Het allerergste. Maar dat ergste brengt het beste. Vader Jacob heeft dat mogen verstaan toen hij zich strekte om te sterven. Toen legde hij zich gereed om de dood te ontvangen. Die vreselijke dood en toch een zalige dode. Want hij wachtte op de dood om hem de zaligheid te brengen.
Zalig deze doden, want achter hun dood staat de Zaligmaker. Die Zaligmaker kan met de dood doen wat Hij wil. Hij kan zelfs de bittere dood zoet maken, want Hij heeft de dood overwonnen. Hij maakt die tot de poort van de stad, die fundamenten heeft. Hij gebruikt die dood om Zijn volk thuis te halen. Daarom zijn de doden zalig. Zaliger dan de levenden, want zij zijn de strijd te boven, ten einde doorgeleid, volmaakt bekeerd en gelouterd.
De vrucht is rijp voor de eeuwige schuren. Opgetrokken om het vriendelijk aangezicht Gods te aanschouwen.
Zult gij ook eens tot die gelukkige doden behoren? Niet alle doden worden hier gelukkig geprezen. Er zijn ook rampzalige doden. Zalig zijn alleen zij, die in de Heere sterven, zegt dit woord.
Zult ge in de Heere sterven? Hoe kunt ge dat weten? Wilt ge dat weten?
Dan is het hier de vraag of ge in de Heere leeft. Want wie in de Heere niet heeft geleefd, hij zal in de Heere niet kunnen sterven Rampzalig zijn de doden, die buiten de Heere sterven. Dus is het niet de eerste vraag: Hebt ge behoefte aan stervensgenade?
Maar het is eerst de vraag: Kent ge de honger naar levensgenade?

Ds. F. Bakker

Bron: Het eeuwige woord - Deel III, Ds. F. Bakker, 8e druk Uitgeverij De Banier (Utrecht)