Meditatie

ONWIL

Want Johannes is gekomen, noch etende, noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft de duivel, De Zoon des mensen is gekomen etende en drinkende, en zij zeggen: Ziedaar een mens, die een vraat en wijnzuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren. (Mattheüs 11 : 18 en 19)

Er ligt hemels onderwijs in de meest alledaagse dingen. En dat niet alleen in wat de volwassenen, maar ook in wat de kinderen doen. Christus heeft tijdens Zijn omwandeling ook op de kinderen gelet. Hij heeft ze gadegeslagen in hun spel op de markt. De éne groep van die kinderen op de markt stelt aan de andere voor om bruiloft te spelen. En ziet, daar gaan ze in rijen met muziekinstrumenten en vrolijk gezang. De fluitspelers doen hun best, want het zal bruiloft zijn.
Maar dat spel mislukt, want de anderen doen niet mee Ze hebben er geen zin in om bruiloft te spelen.
Goed, zeggen de bruiloftspelers, als jullie dan dit spel te vrolijk vinden, dan zullen we doen alsof we een begrafenisstoet zijn. En in plaats van de vrolijke tonen, laten zij nu het aandoenlijk geween horen als van klaagvrouwen.
Maar weer blijven de anderen staan, want dat sombere spel willen ze toch ook niet.
Wat willen ze dan? Ze willen niets. Hoe je 't ook aanpakt, het zijn onwillige eigenzinnige en onhandelbare speelmakkers. Geen bruiloftsmuziek, want dat is te vrolijk, geen rouwgeklag, want dat is te somber.
Welnu, wat daar op dat plein gebeurde, was een beeld van wat de Joden deden met de meest gewichtige dingen. Zo is nü dit geslacht, zegt Christus. Johannes de Doper is gekomen en hij at geen brood en dronk geen wijn. In de woestijn leefde hij, afgezonderd, als een eenling. Zijn maaltijd bestond uit sprinkhanen en wilde honing. Voorwaar, een armoedig bestaan, een vastend leven.
Zijn prediking was niet minder nauwgezet. „Bekeert u — zo had hij geroepen — de bijl is reeds aan de wortel gelegd".
Johannes de Doper was de boetgezant, zijn woorden dreunden, omdat ze volgeladen waren van de oordelen Gods. Hij luidde de doodsklok voor een volk dat meende te leven.
En de uitwerking? Aanvankelijk waren de Joden geschrokken, maar het bleek toch spoedig, dat zeprecies waren als die onwillige kinderen; ze gingen met de Doper niet mee op de weg van boete en berouw. Hij zong wel zijn klaagzangen, doch zij hebben niet geweend.
Och, die Johannes — zo vonden ze — dat is zo'n eigenaardige man. Hij heeft de duivel, d.w.z., hij is bezeten, hij is ziekelijk en abnormaal.
En toen kwam Christus. Het eerste wonder dat Hij deed was water in wijn veranderen en dat nog wel op een bruiloft. Toen Christus kwam was het alsof er op de fluit werd gespeeld. Hij genas de zieken, deed de stommen spreken, maakte de blinden ziende. Hij verdreef de klaagvrouwen uit het huis van Jaïrus, Hij wekte de doden op, ook al moest men zeggen: „Heere, hij riekt al".
En de uitwerking? Toen het er op aan kwam moesten ze Hem evenmin als Johannes de Doper. „Hij is een vraat en een wijnzuiper, een vriend van tollenaren en zondaren", zo zeiden ze Weg met Johannes de Doper, want hij is te somber. Weg met Jezus van Nazareth, want Hij is te ruim.
Was Johannes dan te scherp en was Christus te gemakkelijk! Neen, maar het Evangelie is niet naar de mens. Het is de mens te smal of te breed. Het vraagt te veel of het vraagt te weinig, het is veel te bekrompen of het is veel te ruim. Het was met de Joden als met die kinderen op de markt, het was.... onwil! Wat Johannes de Doper van de ernst der zonde ook zei en welke wonderen van genade Christus ook deed, bij de mensen was het nooit naar de zin. En de schuld lag niet aan het klaaglied, niet aan het fluitspel, maar aan de hardheid en onhandelbaarheid des harten.
Het Evangelie is niet naar de mens. Nu eens zet het de mens diep in de schuld, en van schuld wil de trotse mens niet weten. Dan weer spreekt het van vrije genade, en daarvan is hij een vijand.
Neen, de prediking van Johannes de Doper paste niet voor zulke brave, knappe en godsdienstige mensen. Ze wisten daarom ook niet wat ze met Christus moesten doen Doch staat het er met ons beter voor? Ook tot ons is het Woord Gods gekomen met deklaagzang van de oordelen Gods, alsook met het fluitspel van vrije genade.
Heeft het rechtvaardig oordeel Gods ons verootmoedigd? Zijn we schuldenaar geworden onder de eisen van de heilige wet? Hebben we het voor God uitgeweend toen de klaagliederen gezongen werden van onze verloren staat?
En als de toorn Gods u niet kan verootmoedigen, kan dan de liefde Gods u niet vertederen? Er is immers een weg om de welverdiende straf te ontgaan? Van Gods zijde is alles gedaan wat er tot behoud van de zondaar gedaan moest worden.
Voor de ontdekte zondaar is Johannes de Doper niet te scherp. Hij kan alleen maar zijn rechtvaardig oordeel onderschrijven. En Christus is voor hem niet te ruim. De genadedeur staat voor hem niet te wijd open, want zijn zondelast is zo groot, dat hij die ruimte nodig heeft.
In de school van Johannes de Doper leert de zondaar zijn verdorven staat kennen. Daar komt hij onder de slagen der wet, daar wordt de rekening gepresenteerd, daar worden de klaagliederen gezongen van eigen zonde en schuld.
Daarom heeft de Doper ook zelf zijn leerlingen verwezen naar het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Het gaat van de school van Johannes de Doper naar de school van Christus en daar leren de verlorenen het lied zingen van de bruiloft des Lams.
Zo wordt de zondaar gezaligd naar Wet en Evangelie.

Ds. F. Bakker

Bron: Het eeuwige woord - Deel I, Ds. F. Bakker, 8e druk, Uitgeverij De Banier (Utrecht)