Meditatie

OPDAT DE SCHRIFT VERVULD WORDE

Opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan. (Johannes 19 : 24)

Wat was het bitter arm in de stal van Bethlehem, waar de Borg werd geboren. Daar was letterlijk niets dat voor een mens aantrekkelijk zou kunnen zijn. Maar in die stal kreeg Hij dan toch nog doeken om mee gekleed te worden.
Hier echter, aan het kruis, moet Hij ook Zijn kleding verliezen. Arm kwam Hij de wereld in. Nog armer moet Hij de wereld uit.
De ontklede Borg. Hij had geen recht meer. Hij had ook geen eer meer. Hij had geen dekking meer. Alle eigendomsrecht verloren.
Naakt aan het kruis. Bloot aan de hitte der zon en aan de hitte der schande. Hij ziet Zijn klederen verdelen. Hij hoort de dobbelstenen in de soldatenhanden rammelen.
En achter deze handen zag Hij een toornend God over de zonde. Want God heeft het recht om de mens alles te ontnemen. Het waren de soldaten niet alleen, maar het was bovenal God de Vader, Die Hem het kleed afnam.
De eerste gave aan Adam was een kleed, om daarmee Zijn naaktheid te bedekken. Maar Adam had er geen recht op. Daarom wordt nu het kleed aan de tweede Adam ontnomen.
Door de zonde zijn we alle rechten kwijt. Ons kleed is tenslotte ook een kruisverdienste. Als ons volk, helaas ook velen van ons kerkvolk, daarvan een indruk hadden, dan zou men straks, als het weer zomer wordt, de eerloze moed niet hebben om half ongekleed over de straat te gaan.
Adam kreeg rokken van vellen. Maar dat kostte bloed en schande voor de tweede Adam. Bedenk dan eens wat uw kleed heeft gekost. Opdat ge met die gave van Gods algemene genade terecht moogt komen op Golgotha.
Aan de gezegende Borg valt het hier te zien, dat we door de zonde alles verloren hebben. Alle rechten kwijt. Zó arm zijn we geworden. Christus moest voor de Zijnen alles verliezen om alles te kunnen verwerven. Zij kunnen daarom alleen rijk worden van Zijn armoede.
Een rijke Jezus kan niet gekend worden als we nog nooit een arme Jezus gezien hebben. Want er is armmakende genade nodig om in waarheid bij dat kruis te staan. Om in Zijn gemis uw beeld te zien en te bekennen: „Daar is nu mijn plaats, aan dat vloekhout, alles voor God verspeeld".
Behalve dat de Borg hier geen recht meer had, had Hij ook geen eer meer. Hij is een eerloze geworden. Geen wonder dat er meteen achter deze tekstwoorden te lezen staat, dat Maria en de vrouwen van verre stonden.
Het kleed is immers om der zonde wil. Vóór de val was er geen kleed nodig. Toen droeg de mens het kleed van onschuld. Maar als er nu geen kleed meer is, dan is er geen eer meer. En dan is ook het fundament der samenleving weggevallen. Dan kunnen we elkaar niet meer onder de ogen komen en dan is er geen gemeenschap meer mogelijk.
Wie hier nog eergevoel heeft, moet het oog van Hem afwenden Hier wordt de Schrift vervuld, die zegt dat een iegelijk het aangezicht voor Hem verborg.
En hier mogen Sem en Jafeth niet komen om Hem te bedekken, want minder dan Noach is hier, aangezien Hij voor al de Noachieten, die zichzelf voor God tot schande gemaakt hebben, betalen moet.
Zijt ge ook aan uw schande voor God ontdekt? Zie de mens. Ziedaar uzelf. Dan krijgt ge een afkeer van uzelf. Dan zegt ge: „Als de mensen eens wisten wat er van binnen woonde". God weet het alles. Daarom moest de Borg ontkleed worden. De ontklede Borg had ten derde geen bedekkingmeer. Geen bedekking tegen de heiligheid Gods. Daar hangt Hij in de naaktheid der zonde voor God. Hij is immers tot zonde gemaakt. Daarom kan Hij Zichzelf niet verbergen gelijk de eerste Adam. Hij kan ook geen vijgeboombladeren nemen. Het zondige bestaan en de zondige daden liggen hier naakt en geopend voor de Allerheiligste.
Nu moet Hij van God verlaten worden. Nu zal Hij niet alleen de gave van het ld eed, maar ook de Gever Zelf verliezen. Want God is te heilig dan dat Hij de zonde zou kunnen aanschouwen. Nu roept ook de heiligheid Gods: „Weg met Hem".
„Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft". Hoe zal Hij ons dan sparen? Hoe zult ge straks voor God moeten verschijnen zonder Hem?
Ons eigen kleed moet worden uitgetrokken. Dit is het kleed van onze hoogmoed, het kleed van onze eigengerechtigheid, het kleed van onze valse gerustheid, het kleed van onze wijsheid, het kleed van onze hardheid, het kleed van onze onwaarachtigheid, en zeg het verder zelf maar waarmee ge u nog meer aankleedt om wat te lijken of te zijn.
Ook na ontvangen genade kan die Christus slechts waarde krijgen waar de vijgeboombladeren wegvallen. Geen boetekleed, geen tranenkleed, geen dienstkleed, geen gebedskleed en ook geen bekeringskleed kan uw schuld bedekken. Dat kan alleen een ontklede Christus.
Maar wat een genade wordt er dan hier verkondigd voor een ontklede zondaar. Soldatenhanden moesten de handen Gods dienen om de verlossing voor een arme zondaar uit te stallen. Hier roept diezelfde God een zondaar toe: „Kom dan en laat ons samen rechten, zegt de Heere Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw".
En de Borg verkondigt hier ook Zelf, dat er voor naakte zondaren nog bedekking is, opdat Zijn armoede uw rijkdom zal worden. Hij zal ze geenszins uitwerpen, die zo tot Hem komen. Hij roept ze toe: „Ik raad u, dat gij van Mij koopt witte klederen". En dat om niet, om niet!
Dat kleed is niet te smal, noch te kort. Het bedekt niet vele, maar alle zonden. Daar staat een zondaar zonder zonde. Daarvoor hebben zij alles willen doen en toch niets voor kunnen doen. Maar al wat Christus was, dat was Hij voor hen.
Hij zal genade en eer geven. Eerst genade. En dan eer.

Ds. F. Bakker

Bron: Het eeuwige woord - Deel I, Ds. F. Bakker, 8e druk, Uitgeverij De Banier (Utrecht)