Meditatie

DRIEERLEI OORDEEL

Hij is waardig, dat Gij hem dat doet.
Ik ben niet waardig.
Ik heb een zo groot geloof zelfs in Israël niet gevonden. (Lukas 7:4, 6, 9)


In deze drie teksten liggen drie gedachten aangaande de hoofdman over honderd.
Ten eerste wat de mensen van hem zeggen, ten tweede wat hij van zichzelf zegt, ten derde wat Christus van hem zegt.
„Och", zegt iemand, „wat de mensen van me zeggen, dat kan me niet zo veel schelen". En inderdaad, mensentongen kunnen scherp en vals en lasterlijk zijn. Het voornaamste is en blijft wat God van ons zegt. Het is dan ook een enige troost om te midden van boze tongen te mogen zeggen: „Heere, Gij weet alle dingen". Dat neemt echter niet weg, dat het ons niet onverschillig mag blijven wat de mensen van ons zeggen. Die onverschilligheid kan grootspraak zijn, of zelfs een dekmantel om het kwaad te bedekken en op een verkeerde weg door te gaan. Wat de naaste en wat God van ons zeggen, is ten enemale niet van elkaar te scheiden. Want wanneer de Heere in ons hart gaat werken, dan kan het niet anders of het zal vruchten voortbrengen, die door anderen gemerkt worden. Let wel, zij merken dat zelf niet. Zij noteren dat niet. Integendeel, zij worden dan juist bij zichzelf slechter. Maar anderen merken dat wel, zoals bij deze hoofdman van wie het volk zeide: „Hij is het waardig". Daarom kan het echt geen kwaad om het ons eens af te vragen wat we zijn voor een ander. Als het dan openbaar moet komen in de vruchten, laten we dan gerust maar eens met de vruchten beginnen inplaats van met de wortel. Want waar de vruchten niet zijn, daar deugt de wortel niet. Ook hier is het Evangelie niet naar de mens, maar de vraag, wat de naaste van ons zegt, is toch een zaak waar we niet onder uit kunnen.
Het beste is om hier maar te beginnen bij eigen huisgenoten. Dit heeft niets te maken met graag geprezen willen worden of de man te willen zijn. Als het daarom gaat, is het trouwens toch niet vol te houden.
„Hij is het waardig". Dat zeggen de mensen van deze man. Een kostelijk getuigenis. Zo gaat er nog iets uit van Gods volk. Zo maken zij een ander nog jaloers en dwingen tot eerbied. Maar wat zegt die man van zichzelf? Dat is nu juist het mooiste en tegelijk het ware, als hij van zichzelf zegt: „Ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen". Als hij zelf eens had gehoord wat de mensen van hem zeiden, dan had hij gezegd: „Houdt toch op om te zeggen, dat ik het waardig ben". Het was geen lippentaal, maar het was de taal van de zelfkennis. Een officier in het leger, voor wie de soldaten in de houding stonden, maar tegelijk een worm voor God. Van welke stand we ook zijn, dat moeten we worden. Juist in het aangezicht van de reine Christus gevoelt de zondaar wie hij is. De mensen mogen hem dan waardig achten, zichzelf moet hij altijd maar afkeuren. Evenals deze man, God niette kunnen missen en toch te slecht dat die God zijn intrek neemt in zulk een vuil en vervallen huis. In eigen ogen een onbewoonbaar verklaarde woning. Dat zeggen zij van zichzelf. En dat beleven ze ook. Dat is hun smart en hun schuld. Ook bij u? Wat zegt ge van uzelf?
Het allergrootste is echter wat Christus van deze hoofdman zei. En let nu eens op, dat de Heere niet van hem zegt, dat hij zo goed was. In de ogen Gods is er niemand goed, ook niet één. Al het goede van deze man was immers alleen vrucht uit Christus Zelf? Om het met Paulus te zeggen: „Door genade ben ik die ik ben". Niet om zijn kwaliteit maar om zijn geloof wordt hij geprezen. Geloof ziet immers juist af van kwaliteit? Het was ook een groot geloof. Waarom was dat geloof zo groot? Omdat hij aan één woord van Christus genoeg had, omdat hij van zo weinig zo veel verwachtte, omdat hij zo groot van God dacht en zo klein van zichzelf. Hoe minder zij van zichzelf denken, hoe beter ze bij God bekend staan. Die zichzelf verachten, zijn bij God niet veracht. Want er is nog genade in Christus. God sprak tot Hem nog niet één woord toen Hij aan het kruis hing, opdat er nog een woord zou zijn voor onwaardigen. Maar dat woord moet gehoord worden. Er mag geen rust zijn voordat dit woord in de ziel vernomen is. En daarom de derde vraag: „Wat zegt de Heere van ons?"

Ds. F. Bakker

Bron: Het eeuwige woord - Deel III, Ds. F. Bakker, 8e druk Uitgeverij De Banier (Utrecht)