Meditatie

UITVERKOREN. WAARTOE?

Want deze is Mij een uitverkoren vat om Mijn Naam te dragen. Want ik zal hem tonen hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam. (Hand. 9 : 15m en 16)

„Een uitverkoren vat", zo wordt Saulus van Tarsen door de Heere genoemd. Dat is onbegrijpelijk voor Ananias, de discipel des Heeren. Kan dan een wolf een lam worden? Nog nooit is Ananias zo verbaasd geweest. Het is ook een onbegrijpelijk wonder, dat een vervolger een bidder wordt.
Maar dat is de kracht van Gods eeuwige ontfermende liefde. Het is maar een wenk van Gods verkiezende liefde en vervolgers worden volgelingen, vloekers worden bidders, spotters worden smekers.
„Een uitverkoren vat". Hoe duidelijk komt het in deze Saulus openbaar, dat het niet is desgenen die loopt, maar alleen des ontfermenden Gods. Saulus had immers juist zo verkeerd gewild en zo hard gelopen om de gemeente Gods te verdelgen. Maar wanneer de Heere tot staan roept, dan ben je ook uitgewild en uitgelopen.
We letten er hier nu ook eens op, lezers, dat er bij staat waartoe Paulus is uitverkoren. Want reken er op, dat de Heere er een bedoeling mee heeft, als Hij een mens gaat trekken. De verkiezing heeft vruchten, die dan in het leven openbaar komen. En dat zijn geen vruchten tot streling van vlees en bloed. De uitverkorenen worden niet uitverkoren met behoud van zichzelf. Integendeel, zij moeten zichzelf leren verliezen.
God zegt immers van Paulus, dat hij Zijn Naam moet dragen onder de heidenen en dat hij veel zal moeten lijden om die Naam.
Dus uitverkoren te zijn, dat wil zeggen, dat de Naam Gods voor eigen naam in de plaats moet komen. Eerst heeft zo'n mens zijn eigen naam groot gemaakt. Misschien wel in een lichte of een zware godsdienst.
Maar wanneer iemand geraakt wordt door dat verkiezende werk, dan moet eigen naam er aan. Reken er op, dat dat pijn doet. Nooit zou dat gebeuren, als het Gods werk niet was, want wie wil zichzelf doden? Eigen naam krijgt de doodsteek. Eigen eer, eigen gemak, eigen genot, eigen dank, eigen gerechtigheid (dat is niet de kleinste zonde) moet sterven.
En dan wordt Paulus getoond, dat hij nog veel moet lijden om die Naam. Zo veel, dat hij er zichzelf voor over moet hebben. De Heere spaart het vlees niet. Al zijn we geen Paulus en al zullen we het nooit worden.
En nu moet ge uzelf eens eerlijk afvragen, of ge ook een uitverkoren vat zoudt willen zijn. Want nu gaat het hier over wat de verkiezing meebrengt voor een mens, die het liefst van alles zichzelf spaart.
O, zeker, wij willen allen wel uitverkoren zijn. We zouden in de verkiezing wel besloten willen liggen. Maar de verkiezing is geen lot uit de loterij. Zeg niet: „wat is dat oneerbiedig over de verkiezing gesproken", want dat leeft in ons hart. We willen een lot trekken op de eeuwigheid om eeuwig geborgen te zijn, maar . . . . met behoud van onszelf. Zoals iemand een lot kan trekken en tegelijk dezelfde kan blijven. Zalig worden met eigen behoud. Nooit zal het kunnen. Want als God werkt, dan werkt Hij op Zichzelf aan.
Werp dan het net eens aan de andere zijde. En vraag u eens af, of ge niet een verkiezing nodig hebt voor uw eigen zaak. Vraag toch veel om ontdekkend licht, want de ontdekking is juist een eerste vrucht van de verkiezing.
En gij, die getrokken zijt uit de duisternis van uw eigen bestaan, gij zult uw verkiezing alleen kunnen vastmaken in die twee vruchten. Namelijk om Zijn Naam groot te maken en om aan eigen naam te sterven. Hierin zijt ge nooit ver genoeg.

Ds. F. Bakker

Bron: Het eeuwige woord - Deel III, Ds. F. Bakker, 8e druk Uitgeverij De Banier (Utrecht)