Meditatie

ZOEKENDE ZONDAARSLIEFDE

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. (Openbaringen 3 : 20)

Deze woorden sprak de Heere tot de slechtste van de zeven gemeenten in Klein-Azië. Ze waren daar niet heet en niet koud, en vanwege hun lauwheid, naar Gods eigen woorden, waardig om uit Zijn mond gespuwd te worden. Hier valt toch eigenlijk niets anders te verwachten dan dat dit het laatste woord is dat de Christus tot die gemeente te zeggen heeft, om ze dan rechtvaardig te verstoten voor eeuwig.
Maar neen, Christus komt nog met Zijn liefde in plaats van met Zijn oordeel. Hij komt met Zijn neerdalende zondaarsliefde, waarin Hij Zich zo diep vernedert, dat Hij het werk doet van een bedelaar. Of is het geen bedelaarswerk om al maar aan een deur te kloppen en te wachten totdat er open gedaan zal worden? O, zeker, deze kloppende is de almachtige Koning. Als Hij het wilde dan was het maar een wenk van Zijn almacht om de grendels van die deur te breken Maar forceren doet Hij niet. Hij dwingt niet door geweld. De grendels zitten aan de binnenkant en zij moeten van binnen uit vrijwillig worden losgemaakt door een zondaar, die het uitroept: „Heere, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen".
Hij staat aan de deur en Hij klopt. Met vele kloppingen, met vele roepstemmen, met vele vermaningen, met vele aanwijzingen, met vele waarschuwingen, met veel goedertierenheden, met veel bemoeienissen, met veel gebeurtenissen. Hij klopt op allerlei wijze. Nu eens met de hamerslag van Zijn heilige wet. Dan weer met het geklank van Zijn Evangelie. Of Hij klopt aan de deur in dagen van ziekte en tegenspoed. Ook kan de voorspoed een klop op de deur zijn. Hetzij een tijd om te wenen of een tijd om te lachen, nooit is er een tijd, dat Hij niet aan de deur van ons hart staat te kloppen. Dan pas zal dat kloppen ophouden als er geen tijd meer zal zijn, want dan ligt de grendel van ons eeuwig wel of wee voor eeuwig vast. Maar nu, Hij klopt en Hij wacht en Hij luistert of er nog een verloren mens is, die verzoenend werk voor Hem heeft te doen.
Het beste en het mooiste en het rechtzinnigste en tegelijk het makkelijkste kunnen we ons van dat kloppen losmaken door te zeggen, dat we niet open kunnen doen. We kunnen ons op onze onmacht beroepen en dan hebben we schijnbaar de waarheid aan onze kant. Je zou kunnen zeggen, dat we van nature doof geboren zijn en dat we daarom niet horen kunnen. Dat is alles volkomen waar. Maar hebt ge dat wel eens waarlijk beweend achter die harde grendels van uw stenen verdorven hart? Of is het geen schuldige onmacht?
We hebben zelf de deur voor God op slot gedraaid. Zie het maar eens na met welke grendels ge vast zit aan eigen ik. Of zouden de neerbuigende roepstemmen Gods het niet waard zijn om eens naar de oorzaak te zoeken van onze hardheid tegenover een goeddoend God? Voorwaar, voorwaar, de grendels zitten aan de binnenkant.
Met onze zonden hebben we de deur van ons hart voor God gesloten. We hebben God verlaten, we hebben Hem losgelaten, we willen van God niet meer weten. Maar nu staat er toch: „Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop". Dus heeft de Heere zo'n mens nog niet losgelaten en wil Hij van zulk een verlater nog wel weten. De Heere gaat een mens nog achterna op zijn weg naar het verderf.
Is dat niet om onder te breken?
Bij deze waarheid moeten de grendels smelten als ijs voor de hitte. Een kloppend God, Die nooit anders dan goed heeft gedaan en nog niet ophoudt om goed te doen, en bij verlaters blijft aankloppen omdat Hij nog geen lust heeft in hun dood. Een kloppende Christus, Die Zelf een gesloten deur vond, totdat Hij alles betaald had. Nu klopt Hij aan de deur van een gesloten mensenhart.
Zijn we al door die zoekende liefde Gods vernederd en vertederd?
Of is er iemand, die moet klagen, dat hij zichzelf machteloos heeft opgesloten achter de grendels van eigen zonde? O, die grendels. Ge kunt ze zelf niet meer loskrijgen? Ge kunt ze zelf niet openen om de Koning te ontvangen? Maar dan hebt ge toch met een God te doen, Die Zelf wil geven wat Hij beveelt. Rn daarom kunt ge niet te veel vragen, dat de Heere ruimte wil maken voor Zichzelf.
Die klopt, zal open gedaan worden. Want God Zelf was de Eerste, Die aan de deur heeft geklopt.

Ds. F. Bakker

Bron: Het eeuwige woord - Deel III, Ds. F. Bakker, 8e druk Uitgeverij De Banier (Utrecht)