Meditatie

ZEGENEND OPGEVAREN

En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde en werd opgenomen in de hemel. (Lukas 24 : 51)

Bij de hemelvaart valt er niet alleen te gedenken, dat Christus is opgevaren, maar ook hoe Hij is opgevaren. Het laatste is niet minder groot dan het eerste.
Op de vraag hoe Christus is opgevaren, mag het antwoord zijn, dat Hij zegenende heenging. Hij kwam onder de vloek. Hij ging heen met de zegen. Wat ligt er dan een groot verschil tussen Zijn komen en Zijn heengaan.
Zegenen, dat was het werk van de hogepriester. Als deze zijn werk gedaan had in het heiligdom, dan zegende hij het volk. Maar hier is de enige en eeuwige Hogepriester, Die Zijn borgwerk gedaan heeft en Die Zijn volk achter laat onder de zegen, die Hij voor hen heeft verdiend.
Het is aan die zegenende handen te zien, dat Hij de zegen bij God verdiend heeft, want in die handen staan de littekenen van het kruis, dat is van de vloek, die Hij nu veranderd heeft in de zegen. Die handen spreken voor zichzelf, want zij zeggen, dat Hij Dezelfde is, Die is neergedaald onder de vloek, maar Die ook uit die vloek is opgestaan. En was Hij niet Dezelfde, Hij zou een zondaar uit zijn vloekwaardigheid niet kunnen optrekken met Hem. Eens waren die handen uitgestrekt aan het kruis om de vloek te dragen, nu strekt Hij Zijn handen weer uit om te zegenen.
Dat is de enige troost voor een vloekwaardig zondaar. Hij nam zegenend afscheid. Daarom was dit afscheid voor Zijn kerk eigenlijk geen afscheid. Het was alleen maar afstand. Want die littekenen waren er het bewijs van, dat zij toch in Zijn beide handpalmen gegrift stonden, zodat Hij hen nu van de hemel uit zou vasthouden met die zegen.
Naar Zijn mensheid is Hij nu niet meer op de aarde, maar met Zijn zegen blijft Hij bij hen. Hij zal ze niet vergeten noch verlaten. Hij leeft aan de rechterhand des Vaders om altijd voor hen te bidden. Altijd, ook als zij niet meer bidden kunnen. Die zegenende handen hebben een eeuwige verzoenende kracht bij God de Vader, omdat er bloed uit gevloeid is. Zijn zegen ligt gegrond in Zijn bloed.
En wat is dan zegen? Is het dan zegen, als het Zijn kerk gaat zoals zij dat willen? Ach neen, dat is het niet. De discipelen moesten juist het tegendeel ervaren. Na de hemelvaart moesten zij terug naar het aardse Jeruzalem en daar kwamen ze in de gevangenis of werden gemarteld of gestenigd. Die zegen spaart het vlees niet. Maar dit is de zegen, dat die zegenende handen overal meegaan, waar zij ook zijn. En waar dan die handen gevoeld worden, daar worden lofzangen gezongen, zelfs in de gevangenis. De zegen, dat is dus God méé te hebben. Dat is tenslotte toch het voornaamste. Dat is alles.
Lezers, vallen wij ook onder die zegenende handen? Hebt ge die handen in uw leven nodig gekregen, die doorboorde handen, om de vloek weg te nemen? Of weet ge het nog niet, dat we zonder die handen God tegen hebben? Och, dat de dag van hemelvaart dan eens een dag van hellevaart voor u worde. Anders zullen die handen nooit waarde voor u hebben. Bedenk uw vloekwaardigheid voor God, want het zal buiten Christus een eeuwige vloek moeten worden.
Kind van God, dat is voor u een zaak om al kleiner onder te worden. Hebt ge het mogen ervaren wat het is om God mee te hebben, dan kunt ge er nooit genoeg bij stilstaan dat dit alleen een vrucht is van de wonden in die handen. Niet een vrucht van uw handen, zelfs niet van uw smekende handen. Ge zult ook door Zijn handen moeten worden vastgehouden en uit Zijn handen bediend moeten worden. Als die handen zouden loslaten, dan was het een verloren zaak.
Deze handen zijn echter getrouw om uw ledige handen te vervullen. Die handen zullen ook eens een zondaar optrekken om eeuwig bij Hem te zijn en alle tranen van de ogen te wissen.

Ds. F. Bakker

Bron: Het eeuwige woord - Deel III, Ds. F. Bakker, 8e druk Uitgeverij De Banier (Utrecht)